|
Arbeidsmarkt ouderen: beter functionerende markt is het meest urgent
De participatie van 55- tot 65-jarigen op de arbeidsmarkt is
in de periode tot 2009 sterk gestegen. Hervorming van WAO en VUT hebben hieraan
een belangrijke bijdrage geleverd. Naar verwachting zal de
arbeidsdeelname van ouderen de komende jaren verder toenemen. Het beleid
voor een verhoging van de ouderenparticipatie is succesvol. Nu wacht een
volgende uitdaging. De markt voor oudere werknemers wordt gekenmerkt
door een lage mobiliteit en weinig kansen voor oudere werklozen. Het
kernprobleem is dat loon naar leeftijd in plaats van loon naar werk
wordt betaald. De markt zal beter moeten gaan functioneren dan ze nu
doet. Deze uitdaging wordt nijpender door de huidige economische crisis
en bovendien relevanter indien de AOW-leeftijd wordt verhoogd.
Dit zijn enkele conclusies die het Centraal Planbureau (CPB) trekt in
de studie ‘Rethinking Retirement’. In de
studie bespreken de onderzoekers Rob Euwals, Ruud de Mooij en Daniël van
Vuuren in samenwerking met andere auteurs het functioneren van de
arbeidsmarkt voor ouderen in Nederland. Ook biedt het onderzoeksrapport
inzicht in de gevolgen van beleidshervormingen.
Snel groeiende arbeidsparticipatie ouderen ...
De Nederlandse arbeidsmarkt voor ouderen (55- tot 65-jarigen) werd
decennialang gekenmerkt door een lage participatiegraad. Genereuze
regelingen voor arbeidsongeschiktheid en vervroegde uittreding zijn
hieraan debet geweest. De regelingen zijn de afgelopen jaren aanzienlijk
hervormd. Daardoor is de participatie sterk gestegen. De hervormingen
waren nodig omdat vroegtijdige uittreding onhoudbaar werd in het licht
van de vergrijzing. Op dit moment wordt langer doorwerken zelfs
financieel aangemoedigd. Zo verlaagt de recent ingevoerde doorwerkbonus
de belasting op werken boven de 62 jaar. De pensioenpremie in de meeste
pensioenregelingen levert bovendien veel extra pensioenopbouw op in de
laatste jaren voor het pensioen, waardoor participatie op oudere
leeftijd verder wordt aangemoedigd. Naar verwachting zal de participatie
van ouderen, zonder aanvullend beleid en zonder rekening houdend met een
eventuele verhoging van de AOW-leeftijd, stijgen van ongeveer 48% in
2008 naar ruim 60% in 2020 (zie figuur 1). Dit komt deels door betere
prikkels om langer door te werken en deels doordat ouderen beter
opgeleid zijn en er meer oudere vrouwen werken.
Figuur 1: Participatiegraad 20-64 en 55-64, realisaties 1980 -
2007 en projecties 2007 - 2040
... brengt nieuwe knelpunten aan het licht ...
Vroege uittreding heeft problemen met het functioneren van de
arbeidsmarkt voor ouderen lange tijd gemaskeerd. Nu de participatie snel
stijgt, komen deze problemen aan de oppervlakte. De Nederlandse
arbeidsmarkt voor ouderen functioneert namelijk niet goed. De mobiliteit
onder ouderen is internationaal gezien laag en bedrijven zijn
terughoudend bij het aannemen van ouderen. Hierdoor benutten we als
samenleving onvoldoende het menselijk kapitaal van oudere werknemers.
Ouderen blijven vaak hangen in hun banen en investeren nog maar weinig
in hun menselijk kapitaal, wat de innovatie belemmert Bovendien hebben
ouderen die hun baan verliezen nauwelijks nog kans om terug te keren
naar de arbeidsmarkt. Daardoor is de ongelijkheid tussen de ‘insiders’
en de ‘outsiders’ groot. De werkloosheidsduur voor ouderen in Nederland
is met gemiddeld 3 jaar exceptioneel lang. Ter vergelijking: het
OESO-gemiddelde voor de werkloosheidsduur van 55 tot 65-jarigen is
ongeveer de helft van het Nederlandse gemiddelde. De kans dat een
55-jarige vanuit een WW-uitkering weer aan het werk komt is 10 procent
in Nederland, voor een 60-plusser is dat nog maar 3 procent.
... zoals de gouden kooi voor ouderen
Een belangrijke oorzaak voor het slecht functioneren van de arbeidsmarkt
voor ouderen is het verschil tussen het loon en de productiviteit van
oudere werknemers. Lonen nemen in Nederland sterk toe met de leeftijd
van werknemers, terwijl dat niet geldt voor de productiviteit. Daardoor
raken ouderen opgesloten in een soort ‘gouden kooi’. Mobiliteit,
scholing en zelfstandig ondernemerschap worden ontmoedigd, omdat de
leeftijdspremie is gekoppeld aan de oude baan. Baanduren zijn in
Nederland langer dan in andere landen. Vanaf een bepaalde leeftijd, die
per beroepsgroep kan variëren, is het moeilijk om van baan te
veranderen. Demotie, ofwel gaan werken in een baan die een minder hoog
loon oplevert maar die ook minder intensief is, komt weinig voor.
Hoewel loonstijging met leeftijd in Nederland en een aantal andere
Europese landen bijna vanzelfsprekend lijkt, is dit in Scandinavië
totaal anders (zie figuur 2): lonen stijgen daar veel minder met
ervaring en leeftijd, met als gevolg een aanzienlijk flexibelere
arbeidsmarkt. De werkloosheidsduur van oudere werklozen is in
Scandinavië bijvoorbeeld slechts een derde van die in Nederland en de
mobiliteit onder ouderen is aanzienlijk groter.
Figuur 2: Loonprofiel in leeftijden in 5 West-Europese landen en 4
Scandinavische landen
Discussie over WW en ontslagrecht
De WW en het ontslagrecht bieden werknemers in Nederland bescherming
tegen de financiële gevolgen van werkloosheid en ontslag. De bescherming
stijgt met de leeftijd doordat regelingen genereuzer worden met de duur
van het arbeidsverleden (bij de WW) en met de duur van het dienstverband
(bij ontslagrecht). De ontslagvergoeding in Nederland neemt boven een
bepaalde leeftijd zelfs versneld toe, om uiteindelijk bij de leeftijd
van 65 ineens te vervallen. Samen met de hoge lonen van ouderen brengen
deze regelingen hoge maatschappelijke kosten met zich mee. Oudere
werknemers die worden ontslagen zullen niet snel een andere baan
accepteren tegen een lager loon. Anderen willen niet van baan wisselen
omdat dit een lager loon impliceert en omdat het recht op
ontslagvergoeding wordt aangetast, dat immers afhankelijk is van de
lengte van het dienstverband. Werkgevers nemen geen oudere mensen aan
vanwege de lage productiviteit ten opzichte van het geëiste loon en de
snel oplopende ontslagvergoeding die ouderen opbouwen. De hoge mate van
bescherming en de hoge lonen leiden daarom tot een zeer kleine kans op
terugkeer naar werk als iemand ontslagen wordt. In andere landen is de
ontslagkans vaak groter, maar de omvang van het risico kleiner omdat
ouderen makkelijker een nieuwe baan vinden.
Financiële crisis en eventueel hogere AOW-leeftijd vergroten
urgentie van hervorming
De financiële crisis vergroot de urgentie van hervorming. Door de
uitholling van pensioenvermogens zullen veel ouderen besluiten langer
door te werken om zo de financiële schok op te vangen. Ook een verhoging
van de AOW-leeftijd, waarover het kabinet advies heeft gevraagd aan de
SER, zal de uittreedleeftijd verhogen. Tegelijkertijd zullen veel
ouderen hun baan kwijtraken door de financiële crisis. De uitdaging voor
het beleid is ervoor te zorgen dat deze groep kan terugkeren op de
arbeidsmarkt.
De transitie naar een beter functionerende markt
Het oude evenwicht van goede bescherming en vroege uittreding maakt
geleidelijk plaats voor een nieuw evenwicht waarin Nederlanders langer
doorwerken. Dit is een belangrijke eerste stap die nodig is met het oog
op de vergrijzing. Het is echter niet genoeg. Een hogere participatie
maakt het des te belangrijker dat de kennis van oudere werknemers goed
wordt benut. Dit kan door te investeren in de inzetbaarheid van mensen
en het vergroten van mobiliteit. De nadruk in het beleid zal daarom
moeten verschuiven van participatie naar een goede allocatie van oudere
werknemers. Dit stelt nieuwe eisen aan de vormgeving van de WW en het
ontslagrecht, de leeftijdbeloningprofielen in CAO´s en investeringen in
de inzetbaarheid van werknemers.
Het volledige document "Rethinking Retirement"
vindt u
hier
Veel meer over de arbeidsmarkt vindt u op de
arbeidsmarkt.startpagina.nl
|